Vraag maar aan meneer Hoyer

Vraag maar aan meneer Hoyer
`Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons niet. Hij keek naar die zon, een groote, koude, roode zon, die in de wolken onderging.
"Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van elkaar moeten." Verder kwam-i niet. Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten.'
 
Ik kan niet naar een zonsondergang kijken zonder aan Bavink te denken.
En met Bavink zijn er dan Veere, de manke havenmeester en Japi die van de Waalbrug stapte, en dichtertje, dat zo graag wil vallen.
Hoe het leven je pakt als je wel dromen en idealen hebt, maar geen verweer.
En om het allemaal weer een beetje naar de aarde te trekken is er Hoyer, en zijn er de nieuwzen van de dag, Koekenbakker.
En de God van je tante.
Goede schrijver, die Nescio. Om jaloers op te zijn zo goed.
Ik toost op hem met een spatje jenever.